Financiën
De zorgvraag groeit, zorgkosten nemen toe en schaalvoordelen bij zorgverzekeraars worden steeds belangrijker om premies betaalbaar en concurrerend te houden. Voor 2026 hebben we de premies voor de basisverzekeringen en aanvullende verzekeringen van ONVZ en VvAA gelijk kunnen houden. Dit is, ondanks de stijgende zorgkosten, mede mogelijk door een eenmalige financiële meevaller in het zorgverzekeringfonds.

Toelichting op resultaat 2025
De verslaggevingsperiode van dit maatschappelijk jaarverslag beslaat het kalenderjaar 2025. Het verslag heeft betrekking op ONVZ Holding B.V. Onder deze holding vallen de volgende entiteiten:
- ONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V.
- ONVZ Aanvullende Verzekering N.V.
- ONVZ Langdurige Zorg B.V.
- ONVZ Benefits B.V.
- ONVZ Services B.V.
Door deze entiteiten worden de zorg- en ziektekostenverzekeringen uitgevoerd uit naam van ONVZ en VvAA.
Het positieve resultaat over 2025 bedraagt € 56,0 miljoen (2024: € 29,2 miljoen), een stijging van € 26,8 miljoen.
- (positief) een toename van de brutomarge met € 55,9 miljoen
- (negatief) een netto mutatie van de voorziening voor niet-kostendekkende premie van € 18,5 miljoen
- (positief) een lagere toevoeging aan de overige technische voorzieningen (risicomarge) met € 0,7 miljoen
- (positief) een afname van de bedrijfskosten met € 0,9 miljoen
- (negatief) een afname van het beleggingsresultaat met € 12,2 miljoen
Er is een reorganisatievoorziening van € 12,1 miljoen getroffen in verband met de personele gevolgen van de samenwerking tussen VGZ en de nieuwe ONVZ-organisatie. Het resultaat technische rekening bedraagt € 50,7 miljoen (2024: € 20,1 miljoen). De schaderatio is uitgekomen op 93,6% (2024: 96,9%).
Brutomarge
De stijging van de brutomarge met € 55,9 miljoen wordt verklaard door de volgende factoren:
- (positief) een toename van de brutomarge bij ONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. van € 58,3 miljoen, voornamelijk als gevolg van een hogere vereveningsbijdrage van Zorginstituut Nederland.
- (negatief) een daling van de brutomarge bij ONVZ Aanvullende Verzekeringen N.V. van € 2,4 miljoen, hoofdzakelijk door hogere zorgkosten.
De onzekerheden met betrekking tot het vereveningsjaar 2025 zijn inherent en kunnen significant zijn. Dit geldt zowel voor de hoogte van het ex-ante budget als ook voor de zorgkosten. Zie paragraaf 2 Gebruik van schattingen van de Grondslagen voor de waardering van activa en passiva in de jaarrekening.
Het vereveningsresultaat van nog niet definitief afgerekende vereveningsjaren wordt ieder kwartaal per vereveningsjaar beoordeeld.
Op basis van inschattingen van de ontwikkeling van de onzekerheden en de onderdelen die het vereveningsresultaat bepalen (zorgkosten en budgetparameters), is het vereveningsresultaat van de, ultimo 2025, nog niet definitief afgerekende vereveningsjaren 2022 tot en met 2025 in 2025 opnieuw berekend. Hierbij zijn de meest actuele prognoses, onder andere gebaseerd op de schade uitloop in 2025, getoetst aan de zorgkostenraming naar de stand per 31 december 2025.
De bandbreedte van het vereveningsresultaat wordt beïnvloed door onzekerheden, deze zijn inherent en kunnen significant zijn. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er sprake is van vier door Zorginstituut Nederland nog niet definitief afgerekende vereveningsjaren (2022 tot en met 2025). In het minst gunstige scenario kan het resultaat over de openstaande vereveningsjaren signifikant lager uitkomen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een dergelijk negatief scenario zich niet in een keer zal effectueren omdat de openstaande jaren ook sequentieel worden afgerekend.
Resultaat oude jaren
De catastroferegeling Zorgverzekeringswet (artikel 33 Zvw) is per 31 december 2021 van rechtswege geëindigd. In 2022 is door Zorginstituut Nederland de voorlopige catastrofebijdrage voor de jaren 2020 en 2021 uitbetaald. De definitieve afrekening van de catastroferegeling vond in 2025 plaats.
Zorgverzekeraars hebben voor de jaren 2020 en 2021 - met instemming van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) - solidariteitsafspraken opgesteld om zowel de Covid-19-kosten, de bijdragen uit de catastroferegeling en overige Covid-19-effecten te herverdelen. Als onderdeel van deze afspraken geldt dat het Ministerie van VWS heeft besloten om voor 2021 85% van het verschil tussen het landelijk afgegeven budget (de deelbedragen van het ‘macro prestatiebedrag’) en de daadwerkelijke kosten voor rekening van het Zorgverzekeringsfonds te laten komen in plaats voor rekening van de zorgverzekeraars. In 2022 hebben zorgverzekeraars de eerste voorlopige berekening 2021 van Zorginstituut Nederland ontvangen. Zorgverzekeraars ontvangen jaarlijks tussentijdse informatie over de verwachte financiële effecten van deze solidariteitsafspraken, maar de definitieve vaststelling op basis van de brief ZiNL is eind 2025 gecommuniceerd met de zorgverzekeraars. De verrekening hiervan vindt begin 2026 plaats. Na 2021 zijn geen solidariteitsafspraken meer gemaakt.
De onzekerheden rondom de bepaling van de hoogte van de bijdrage uit de catastroferegeling zijn inmiddels nihil. In 2024 zijn de definitieve opgaven voor de catastroferegeling bij ZiNL ingediend. De definitieve vaststelling van de catastrofe-bijdrage door ZiNL is in 2025 ontvangen. De baten en lasten die voortvloeien uit de catastroferegeling worden door de zorgverzekeraars deels herverdeeld via de onderlinge solidariteitsregelingen 2020 en 2021. De vaststelling van deze herverdeling is inmiddels ook definitief, de definitieve afrekening zal begin 2026 plaatsvinden.
Voorziening voor niet-kostendekkende premie
Voor het premiejaar 2026 is per eind 2025 een kostendekkende premie begroot en daarom wordt er geen niet-kostendekkende voorziening gevormd (2024: € 0,9 miljoen inzake premiejaar 2025). De voorziening van eind 2024, inzake het premiejaar 2025, is vrijgevallen ten gunste van het resultaat.
Bedrijfskosten
De totale bedrijfskosten komen in 2025 uit op € 63,5 miljoen (2024: € 64,4 miljoen). De daling ten opzichte van 2024 is onder andere veroorzaakt door lagere kosten voor (inhuur) personeel en projecten. Hier staan deels hogere strategiekosten tegenover.
De bedrijfskostenratio, dit zijn de bedrijfskosten ten opzichte van de verdiende premies, is gedaald naar 4,0% in 2025 (2024: 4,4%).
Terugblik op verwachtingen
Ten opzichte van de verwachtingen inzake 2025, zoals opgenomen in de jaarrekening 2024, zijn de resultaten hoger uitgevallen dan het begrote resultaat (begroot € 6,2 miljoen positief, na vrijval premiereserve; werkelijk positief resultaat € 56,0 miljoen). De hogere vereveningsbijdrage van Zorginstituut Nederland en de zorgkostenontwikkeling hebben daaraan positief bijgedragen. Ook de beleggingsresultaten hebben een positieve bijdrage geleverd aan deze ontwikkeling in 2025, deze worden niet in de begroting opgenomen.
Er zijn in 2025 belangrijke investeringen gedaan ten behoeve van de totstandkoming van de nieuwe strategische samenwerking met VGZ die vanaf 1 januari 2027 in gaat. Het personeelsaantal is in 2025 redelijk stabiel gebleven.
In de jaarrekening 2024 is aangegeven dat er een landelijk probleem is bij de registratie ten behoeve van de Hulpmiddelen Kosten Groepen (HKG’s) die onderdeel zijn van het vereveningsmodel. Afgelopen jaar zijn verdere afspraken gemaakt over de hoogte van de private correctie voor de jaren 2023 t/m 2025, ter compensatie van het verlies aan verevenende werking.
Daarnaast is er gekeken naar een structurele oplossing voor de hulpmiddelen kosten in het vereveningsmodel, ter vervanging van het tijdelijke kostenkenmerk dat in 2025 aan het model is toegevoegd. Inmiddels is duidelijk dat de zoektocht naar een structurele oplossing voor een uniforme registratie van hulpmiddelen is beëindigd. Er wordt nog gekeken hoe omgegaan moet worden met het tijdelijke hulpmiddelen kostenkenmerk.
Registratieproblemen hulpmiddelengegevens
In 2023 zijn de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Zorginstituut Nederland (ZiNL) een onderzoek naar de hulpmiddelengegevens gestart. Het ministerie van VWS (VWS), de NZa, het ZiNL en de zorgverzekeraars hebben uiteindelijk gezamenlijk geconcludeerd dat het herstel van de hulpmiddelengegevens 2022 en 2023 niet mogelijk is, ook met terugwerkende kracht aanpassing van de wet- en regelgeving voor de risicoverevening 2024 en 2023 tevens niet haalbaar is. Voor de publieke vaststelling van de risicovereveningsjaren 2024 en 2023 door ZiNL resteert hierdoor het nulscenario. Dit betekent dat alle verzekerden door ZiNL in de afslagklasse van het HKG-kenmerk worden ingedeeld. Via criteriumneutraliteit krijgen alle verzekerden dan een normbedrag van nul. Voor de risicoverevening 2025 is het volledige HKG-kenmerk door VWS uit het ex-ante model gehaald.
Om het verlies aan verevenende werking en de concurrentieverschillen die hierdoor voor de risicovereveningsjaren 2025, 2024 en 2023 ontstaan te neutraliseren hebben zorgverzekeraars in 2025 onderling afspraken gemaakt over (semi)-private correcties. Voor de risicovereveningsjaren 2024 en 2023 is een semi-private ex post correctie afgesproken, waarbij het verschil tussen de definitieve vaststellingen op basis van het publieke nulscenario en een semi-private herschatting van de ex-ante risicoverevenings-modellen 2023 en 2024 wordt verrekend. Daarnaast is voor de risicovereveningsmodeljaren 2025, 2024 en 2023 een aanvullende private ex-ante correctie afgesproken in de vorm van een tweezijdige bandbreedteregeling met een grensbedrag ± €2,50 per premie-equivalent, met 100% nacalculatie. De private ex-ante correctie voor de risicovereveningsjaren 2024 en 2023 zijn in 2025 definitief vastgesteld.
NZa onderzoek naar lumpsumbetalingen
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft eind 2025 haar onderzoek naar de verantwoordingen risicoverevening die zijn opgeleverd in 2025, uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is een dispuut ontstaan tussen zorgverzekeraars en de NZa / Zorginstituut Nederland (ZiNL) over een deel van de afspraken die zorgverzekeraars middels lumpsumbetalingen vergoeden aan zorgaanbieders met voor behandeljaar 2022 een landelijke omvang van circa € 150 miljoen. Het risico bestaat dat (een deel) van deze zorgkosten niet als verevenbare Zvw-zorgkosten kwalificeert, waardoor de landelijke vereveningsbijdrage 2022 – in verband met 70% macronacalculatie op 2022 – circa € 100 miljoen lager uit kan vallen. Voor ONVZ betekent dit een mogelijke verlaging van de vereveningsbijdrage 2022 met € 2,4 miljoen.
Voor de behandeljaren 2023 en verder zijn vergelijkbare zorgkosten opgenomen door zorgverzekeraars, echter is voor deze vereveningsjaren géén sprake van een macronacalculatie, waardoor er voor 2026 geen aanvullende onzekerheid bestaat over de hoogte van de vereveningsbijdrage.
Het onderzoek door de NZa wordt naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 afgerond. Aangezien er per 31 december 2025 nog sprake is van een lopende discussie met de NZa en het onderzoek nog niet is afgerond en ONVZ van mening is dat de kosten als verevenbare kosten gekwalificeerd kan worden, is dit niet verwerkt in de jaarrekening 2025.
Beleggingen
Het beleggingsbeleid en de uitwerking hiervan in de Strategische Asset Allocatie (SAA), laat zich kenmerken door de volgende begrippen: defensief, prudent en gericht op het in stand houden van vermogen en het minimaliseren van de risico’s. Bij het vaststellen van het beleggingsbeleid baseert ONVZ zich op de primaire doelen uit het treasury beleid. Vanuit deze doelen wordt het beleggingsbeleid vertaald naar de Investment Beliefs in het jaarlijks vast te stellen beleggingsplan.
Gerelateerd aan de solvabiliteitspositie van ONVZ is een risicobudget met een bandbreedte vastgesteld. Het onder Solvency II te berekenen marktrisico van de beleggingsportefeuille hoort zich binnen deze bandbreedte te bevinden.
De beleggingsportefeuille is opgesplitst in een returnportefeuille en een matchingportefeuille. Door deze opsplitsing van de beleggingsportefeuille wordt invulling gegeven aan op Solvency II-gronden risico-gebaseerd beleggen.
De omvang van de returnportefeuille is gelijk aan het eigen vermogen en wordt belegd volgens de SAA. Deze portefeuille heeft een hoger risicoprofiel waarmee beoogd wordt een hoger rendement te behalen dan de matchingportefeuille.
De matchingportefeuille omvat het meerdere van het belegd vermogen boven het eigen vermogen en wordt volledig belegd in een geldmarktfonds. Dit gedeelte van de portefeuille is bestemd voor het voldoen van de verplichtingen.
Op basis van de balansgegevens, de risicobereidheid van ONVZ, de geselecteerde beleggingscategorieën, de lange termijn rendementen, standaarddeviaties en correlaties en de ALM analyse zijn de volgende verhoudingen als strategische asset mix voor de returnportefeuilles van de entiteiten onder beheer bij de fiduciair beheerder berekend:
| ONVZ Ziektekostenverzekeraar | ONVZ Aanvullende Verzekering | |
|---|---|---|
| Geldmarkt | 35,0% | 27,5% |
| Euro bedrijfsobligaties | 30,0% | 32,5% |
| Green Bonds | 10,0% | 8,5% |
| NL Hypotheken | 15,0% | 20,0% |
| Aandelen | 10,0% | 11,5% |
Deze asset mix sluit goed aan bij de risicobereidheid en de duurzaamheidsambities van ONVZ.
ONVZ vindt het van belang dat de beleggingsportefeuille verantwoord is ingericht. Voor het aandelenfonds heeft ONVZ een aandelenbeleggingsfonds geselecteerd dat de Paris Aligned Benchmark volgt en dat aanvullende Sustainable Development Goals (SDG) nastreeft. De aandacht voor duurzaamheidsaspecten in de beleggingen is een continu proces binnen ONVZ.
De beleggingsfondsen hebben minimaal als uitsluitingscriteria:
- Ondernemingen die niet voldoen aan de UN Global Compact Principles, de UN guiding principles en de OESO-richtlijnen.
- Ondernemingen die meer dan 5% van de omzet realiseren met het produceren en/of verkopen van tabak en tabak-gerelateerde producten.
- Ondernemingen die clustermunitie, landmijnen, nucleaire/biologische/chemische wapens vervaardigen en/of die meer dan 5% van de omzet realiseren door verkoop van niet-militaire vuurwapens en munitie.
In de beleggingscommissie wordt per kwartaal gemonitord in hoeverre de beleggingsfondsen hun eigen uitsluitingsbeleid volgen. Toetsing gebeurt aan de hand van de screeningsrapportage van de fiduciair manager op basis van de uitsluitingslijst van hun duurzaamheidsprovider. Vanwege andere ESG-providers en andere definities komen er verschillen voor qua uitsluiting. Op basis van de ontvangen antwoorden heeft de beleggingscommissie besloten om deze minimale overschrijdingen bij de beleggingsfondsen toe te staan.
Sinds medio 2025 wordt hiervoor Moody’s gehanteerd. Hierdoor sluit de screeninglijst nog beter aan op het ESG-beleid van ONVZ. Eventuele afwijkingen worden in de beleggingscommissie besproken en getoetst aan de norm die hiervoor is opgesteld. Afwijkingen van deze norm worden besproken met de fondsen en kunnen eventueel leiden tot het uitstappen uit een fonds.
De beleggingen worden gewaardeerd tegen marktwaarde(beurswaarde), waardoor zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeverschillen in de winst-en verliesrekening worden opgenomen. Het rendement op beleggingen over 2025 bedraagt € 16,5 miljoen (2024: € 28,7 miljoen).
Liquiditeit
ONVZ zorgt ervoor dat er gedurende het jaar een adequate liquiditeitsplanning aanwezig is. De uitgangspunten voor de uitvoering van een adequaat liquiditeitsbeheer zijn in het treasury beleid vastgelegd. In het liquiditeitsplan zijn de aanvullende richtlijnen met betrekking tot het liquiditeitsbeheer opgenomen.
De matchingportefeuille is bestemd voor de betaling van de declaraties en bedrijfskosten en wordt gevormd door de ontvangen premies, bijdragen en liquiditeitsbuffer. De beleggingen binnen de matchingportefeuille bestaan uit participaties geldmarktfonds. Eventuele tekorten die ontstaan in liquiditeiten worden vanuit de matchingportefeuille aangevuld. Eventuele overschotten in liquiditeiten worden belegd in participaties geldmarktfonds.
Gedurende het verslagjaar is de omvang van de liquide middelen afgenomen. De mutatie gedurende het boekjaar is weergegeven in het kasstroomoverzicht.
Solvabiliteit
Het aanwezige vermogen op basis van Solvency II grondslagen (Solvency Capital Requirement of SCR-ratio) bedraagt ultimo 2025 € 390,8 miljoen (2024: € 315,5 miljoen). De volgens Solvency II vereiste solvabiliteit komt ultimo 2025 uit op € 229,9 miljoen (2024: € 222,6 miljoen), waarbij deze is berekend op basis van het ‘standaardmodel’. Hiermee komt de SII-ratio ultimo 2025 uit op 170,0% (2024: 141,7%).
Het aanwezige vermogen volgt uit de balans opgesteld op basis van Solvency II grondslagen. Het eigen vermogen volgens de statutaire jaarrekening wijkt op twee onderdelen af van de marktwaardebalans op basis van Solvency II grondslagen: onder Solvency II vindt discontering van de technische voorziening plaats en wordt het begrote technische resultaat 2026 volledig verwerkt in het eigen vermogen ultimo 2025. Dit omdat de Solvency II grondslagen niet volledig overgenomen kunnen worden in een jaarrekening opgesteld op basis van Nederlandse verslaggevingsstandaarden (Dutch Gaap).
In onderstaande tabel is de SII-ratio van ONVZ Holding B.V. weergegeven ultimo 2025 en 2024.
| Solvabiliteit (in duizenden euro's) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Aanwezig vermogen volgens Solvency II | 390.778 | 315.478 |
| Vereist vermogen (SCR) volgens Solvency II | 229.861 | 222.569 |
| Ratio | 170,0% | 141,7% |
Kapitaalbeleid
Om een gezonde en stabiele financiële situatie te creëren en te handhaven is een degelijk en robuust kapitaalbeleid onontbeerlijk. ONVZ streeft enerzijds naar instandhouding van het eigen vermogen en anderzijds naar een optimalisatie tussen het nemen en lopen van risico’s en het benodigde en gewenste kapitaal. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het standaardmodel van Solvency II ten aanzien van het kwantificeren van de risico’s. Het kapitaalbeleid borgt dat ONVZ over voldoende kapitaal beschikt om te kunnen voldoen aan de verplichtingen aan haar verzekerden, haar wettelijke verplichtingen en het faciliteren van haar strategische doelstellingen.
Conform het kapitaalbeleid hanteert ONVZ ultimo 2025 op groepsniveau een streefniveau van 130% en een interventieniveau van 120% (van het vereiste vermogen).
De streefsolvabiliteit is leidend voor ONVZ in de beleidsmatige keuzes. Het interventieniveau dient voldoende ruimte te geven om eventuele en tijdelijke onderschrijding van de streefsolvabiliteit mogelijk te maken, en ingrijpen te borgen bij verdere daling van de solvabiliteit. Het interventieniveau en de streefsolvabiliteit worden jaarlijks getoetst in het ORSA-proces en zijn gebaseerd op de Solvency II-vereisten, aangevuld met een risico gewogen buffer.
Kengetallen 2025
Geconsolideerde cijfers ONVZ Holding B.V.
| Kengetallen (in duizenden euro's) | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|
| Verdiende premies eigen rekening | 1.588.470 | 1.481.183 | |
| Schaden eigen rekening | -1.486.294 | -1.434.897 | |
| Brutomarge | 1) | 102.177 | 46.286 |
| Mutatie voorziening niet-kostendekkende premie | 890 | 19.324 | |
| Mutatie risicomarge | 2) | -30 | -741 |
| Resultaat beleggingen | 16.515 | 28.749 | |
| Bedrijfskosten | -63.538 | -64.440 | |
| Netto-resultaat | 56.014 | 29.178 | |
| Schaderatio | 3) | 93,6% | 96,9% |
| Bedrijfskostenratio | 4) | 4,0% | 4,4% |
| Combined ratio | 5) | 97,6% | 101,2% |
| Aanwezig vermogen volgens Solvency II | 390.778 | 315.478 | |
| Vereist vermogen (SCR) volgens Solvency II | 229.861 | 222.569 | |
| Ratio (%) | 170,0% | 141,7% | |
| Gemiddeld aantal verzekerden | 6) | 406.200 | 413.300 |
In deze tabel zijn alle bedragen in duizenden euro’s opgenomen tenzij anders vermeld:
- Brutomarge is het saldo van de verdiende premies eigen rekening minus de schaden eigen rekening
- De risicomarge is vereist als onderdeel van de waarde van de verzekeringsverplichtingen, bovenop de best estimate waarde van deze verplichtingen. Het dient als compensatie voor risico's.
- Schaderatio is de schaden eigen rekening gedeeld door de verdiende premies eigen rekening.
- Bedrijfskostenratio wordt berekend door de bedrijfskosten te delen door de verdiende premies eigen rekening.
- Combined ratio is de schaderatio plus de bedrijfskostenratio.
- Aantal verzekerden basis inclusief aanvullend.
Geconsolideerde balans per 31 december 2025
ONVZ Holding B.V.
| ACTIVA in duizenden euro's | 2025 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|
| Beleggingen | ||||
| Terreinen en gebouwen | 10.620 | 9.860 | ||
| Beleggingen in groepsmaatschappijen en deelnemingen | 803 | 803 | ||
| Overige financiële beleggingen | 689.677 | 634.434 | ||
| 701.100 | 645.097 | |||
| Vorderingen | ||||
| Vorderingen uit directe verzekering op verzekeringnemers | 55.219 | 60.277 | ||
| Vorderingen uit directe verzekering op tussenpersonen | 17.277 | 18.568 | ||
| Vordering op Zorgverzekeringsfonds en algemene kassen | 195.664 | 156.670 | ||
| Overige vorderingen | 39.374 | 42.048 | ||
| 307.534 | 277.563 | |||
| Overige activa | ||||
| Materiële vaste activa | 1.146 | 1.585 | ||
| Liquide middelen | 14.698 | 17.570 | ||
| 15.844 | 19.155 | |||
| Overlopende activa | ||||
| Overige overlopende activa | 1.529 | 1.881 | ||
| 1.529 | 1.881 | |||
| Totaal activa | 1.026.007 | 943.696 | ||
| PASSIVA in duizenden euro's | 2025 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|
| Eigen vermogen | ||||
| Gestort en opgevraagd kapitaal | 36.302 | 36.302 | ||
| Agio | 63 | 63 | ||
| Wettelijke en statutaire reserves | 374.113 | 341.823 | ||
| Overige reserves | -111.232 | -108.120 | ||
| Onverdeeld resultaat | 56.014 | 29.178 | ||
| 355.260 | 299.246 | |||
| Technische voorzieningen | ||||
| Niet verdiende premies en lopende risico's | - | 890 | ||
| Te betalen schaden | 280.021 | 287.262 | ||
| Overige technische voorzieningen | 16.136 | 16.106 | ||
| 296.157 | 304.258 | |||
| Voorzieningen | ||||
| Voor pensioenen | 5.195 | 10.195 | ||
| Overige voorzieningen | 12.106 | - | ||
| 17.301 | 10.195 | |||
| Schulden | ||||
| Schulden uit directe verzekering | 94.373 | 55.182 | ||
| Schulden uit herverzekering | 1.004 | 1.142 | ||
| Schulden aan tussenpersonen | 117 | 250 | ||
| Overige schulden | 4.084 | 5.946 | ||
| 99.578 | 62.520 | |||
| Overlopende passiva | ||||
| Vooruitgefactureerde premie | 253.676 | 263.182 | ||
| Te betalen vakantiegeld en vakantie-uren | 1.975 | 1.987 | ||
| Overige overlopende passiva | 2.060 | 2.308 | ||
| 257.711 | 267.477 | |||
| Totaal passiva | 1.026.007 | 943.696 | ||
Geconsolideerde winst- en verliesrekening over 2025
ONVZ Holding B.V.
| Technische rekening ziektekostenverzekering | 2025 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|
| Verdiende premies eigen rekening en bijdragen | ||||
| Brutopremies | 817.164 | 772.583 | ||
| Bijdrage uit zorgverzekeringsfonds en algemene kassen | 778.732 | 715.437 | - | |
| Solidariteitsregeling | -1.487 | -494 | - | |
| Uitgaande herverzekeringspremies | -5.939 | -6.343 | - | |
| - | 1.588.470 | - | 1.481.183 | |
| - | ||||
| Wijziging technische voorziening niet-verdiende premies en lopende risico's | - | |||
| Bruto | 890 | - | 19.324 | - |
| - | 890 | - | 19.324 | |
| - | 1.589.360 | - | 1.500.507 | |
| - | ||||
| Toegerekende opbrengst van beleggingen | - | 11.210 | - | 19.656 |
| - | ||||
| - | ||||
| Totaal technische baten | - | 1.600.570 | - | 1.520.163 |
| - | ||||
| Schaden eigen rekening | - | |||
| Bruto schaden | 1.498.692 | - | 1.413.426 | - |
| Aandeel herverzekeraars | -4.037 | - | -4.076 | - |
| - | 1.494.655 | - | 1.409.350 | |
| Wijziging technische voorziening schaden | ||||
| Bruto | -8.431 | - | 25.669 | - |
| Aandeel herverzekeraars | 71 | - | -122 | - |
| - | -8.360 | - | 25.547 | |
| - | 1.486.295 | - | 1.434.897 | |
| - | - | |||
| Wijziging overige technische voorzieningen eigen rekening | - | 30 | - | 741 |
| - | ||||
| Bedrijfskosten | - | |||
| Acquisitiekosten | 14.605 | - | 15.919 | - |
| Beheers- en personeelskosten; afschrijvingen bedrijfsmiddelen | 48.932 | - | 48.521 | - |
| - | 63.537 | - | 64.440 | |
| - | ||||
| Totaal technische lasten | - | 1.549.862 | - | 1.500.078 |
| - | ||||
| Resultaat technische rekening | - | 50.709 | - | 20.085 |
| Niet-technische rekening ziektekostenverzekering | 2025 | 2024 | ||
|---|---|---|---|---|
| - | ||||
| Opbrengsten uit beleggingen | - | |||
| Opbrengsten uit deelnemingen | - | - | - | - |
| - | ||||
| Opbrengsten uit andere beleggingen | - | - | ||
| Overige beleggingen | 695 | - | -165 | - |
| Waardeveranderingen van beleggingen | - | - | - | - |
| Gerealiseerde winst op beleggingen | 13.389 | - | 16.786 | - |
| - | 14.084 | - | 16.621 | |
| - | ||||
| Niet-gerealiseerde winst op beleggingen | - | 3.829 | - | 11.715 |
| - | ||||
| Beleggingslasten | - | - | ||
| Beheerskosten en rentelasten | 394 | - | 924 | - |
| Waardeveranderingen beleggingen | 760 | - | 141 | - |
| Gerealiseerd verlies op beleggingen | - | - | - | - |
| - | 1.154 | - | 1.065 | |
| - | ||||
| Niet-gerealiseerd verlies op beleggingen | - | -2.551 | - | -652 |
| - | ||||
| Aan technische rekening toegerekende opbrengst uit beleggingen |
- | -11.210 | - | -19.656 |
| - | ||||
| Andere baten | - | - | - | - |
| - | ||||
| Resultaat voor belastingen | - | 56.015 | - | 29.178 |
| - | ||||
| Belastingen | - | - | - | - |
| - | ||||
| Netto resultaat | - | 56.015 | - | 29.178 |